In zijn semiautobiografische tweede strip ‘Jaar Nul’ beschreef Frenk Meeuwsen hoe hij op latere leeftijd vader werd. In opvolger ‘Rufus’ is niet alleen het kind, maar ook de stripmaker gegroeid.
Frenk Meeuwsens Jaar nul werd verkocht als een strip die ook eens de vaderskant van pril ouderschap zou belichten, maar het tweede stripverhaal van de Amsterdamse kunstenaar die in 2018 als stripmaker debuteerde met de lijvige graphic novel Zen zonder meester leverde al bij al weinig opzienbarende bevindingen over het vaderschap op.
Meeuwsen bewees met het verhaal over een heel erg op hemzelf lijkende man die op latere leeftijd vader wordt wel dat hij een begenadigd tekenaar is met een heel eigen kleurgebruik en een gezond gevoel voor humor.
Diezelfde kwaliteiten zie je ook in Rufus, het vervolgverhaal waarmee Meeuwsen laat zien dat niet alleen het kind, maar ook hijzelf als stripmaker en verteller is gegroeid. In Jaar nul experimenteerde Meeuwsen al met droomsequenties die een eigen beeldtaal kregen, en in Rufus lijkt hij nog een stap verder te gaan. Het verhaal over de hartaanval van zijn alter ego en de angsten waar die hem mee opzadelen, wordt net iets minder conventioneel verteld. Meeuwsen durft vrijer, fantasierijker en meer beeldend te associëren. Het resultaat is een stripverhaal dat langer door het hoofd van de lezer blijft spoken. De uit het leven gegrepen dialogen tussen vader en zoon vertederen, maar het zijn vooral de tekstloze pagina’s die indruk maken.
Frenk Meeuwsens derde strip straalt een zelfvertrouwen in eigen kunnen uit dat ook een mooie belofte voor de toekomst lijkt in te houden. Met Rufus levert Meeuwsen niet alleen zijn beste strip tot nu toe af, de associatievere manier van vertellen zet ook de deur open voor minder autobiografisch gekleurde verhalen. De vorm van Meeuwsens verhalen lijkt stilaan een tikkeltje belangrijker te worden dan de inhoud en voor iemand met zijn gevoel voor treffende beelden is dat eigenlijk een heel goede zaak.
Rufus
Frenk Meeuwsen
Sherpa, 136 blz.
★★★★☆