Stripgids – productiehuis en expertisecentrum rond strips en beeldverhaal

De dagboeken van zijn grootvader, een manshoge stapel research en een gezonde portie verbeelding. Meer had Joris Vermassen niet nodig om van Soldaat-hovenier een ruim vierhonderdvijftig pagina’s tellende beeldroman over liefde, schoonheid en troost te maken. Dat, en veertien jaar van zijn leven. “Alle kennis die je hebt, alles wat je al heel je leven bekijkt en opnieuw bekijkt, het kruipt er allemaal in.”

Voor het leven getekend zijn. Dat is waar Joris Vermassens monumentale nieuwe graphic novel Soldaat-hovenier over gaat. In zijn “beeldroman tussen historisch feit en literaire fictie” vertelt de Gentenaar het verhaal van Alois, een op Vermassens grootvader gebaseerde tuinman die in 1914 naar de loopgraven in de Westhoek gestuurd werd om daarna in Port-Villez achter de frontlinie aan de slag te gaan met verminkte soldaten. Onder hen zijn strijdmakker Raymond. Waar die zijn wonden in het aangezicht draagt, voelt de gevoelige hovenier Alois ze veeleer vanbinnen. “Het gaat ook niet over die oorlog”, vertelt Vermassen. “Mijn uitgever wilde het eerst een oorlogsnovelle noemen, maar voor mij is het geen oorlogsverhaal. Soldaat-hovenier is een verhaal over een kleine man met een liefde voor de natuur die in de grote geschiedenis vermalen wordt. Oké, het is een soort historische roman, maar het is ook een verhaal over de klassieke thema’s: liefde, dood, schoonheid en troost.”

Vermassen zelf is niet getekend voor of door het leven, de stripmaker is getekend door het tekenen zelf. Wanneer we hem treffen in een Gents hotel om over zijn nieuwe boek te praten, draagt hij een brace die de chronische pijn in zijn duim moet verzachten. “Maar ik ben in goed gezelschap”, lacht de man die ooit comedian was en strips tekende onder het pseudoniem Fritz Van den Heuvel. “Bruce Springsteen heeft er ook een, en Jonny Greenwood van Radiohead ook. Ik mag niet klagen. Je gaat er niet aan dood. Schilderen gaat nog en gitaarspelen ook. Alleen pinchen is problematisch. Daarom ben ik ook overgeschakeld op digitaal tekenen. Dat is niet alleen technisch gemakkelijker, maar ook fysiek.”

Dat krijg je dan van zolang aan een strip te zitten tekenen. Veertien jaar, wat moeten we ons daar eigenlijk bij voorstellen?
(lacht) “Helemaal niets. Voor de marketing is het leuk om dat naar buiten te brengen, maar voor de lezer maakt het helemaal niet uit of er een jaar of een decennium aan gewerkt is. Maar het is wel waar. Ik heb er misschien niet zo lang aan getekend, maar ik ben er wel zo lang mee bezig geweest. Maar mag ik zeggen dat ik een beetje allergisch ben aan dat cijferfetisjisme? Zoveel verkochte exemplaren, zoveel vertalingen, zoveelste druk. Het doet er eigenlijk allemaal niet toe.”

Het zegt wel iets over de fragiliteit van het beroep. Strips tekenen is heel arbeidsintensief en brengt in verhouding niet zoveel op. Weinig striptekenaars kunnen leven van hun potlood.
“Ik scheur er gigantisch mijn broek aan, en dat heb ik op een bepaald moment in mijn carrière onder ogen moeten zien. Dat wordt ook een existentiële kwestie. Op een gegeven ogenblik zeg je tegen jezelf dat je een kunstenaar bent, en dan ga je ervoor, ongeacht wat het oplevert. Maar het blijft een kwetsbaar bestaan. Eigenlijk hebben die veertien jaar ook daarmee te maken. Als je geen goed lopende, commerciële stripreeksen tekent, dan moet je er steeds van alles naast doen, om te kunnen doen wat je graag doet.” 

Jij tekende cartoons voor De Standaard.
“Dat heb ik vijf jaar lang gedaan. Op die manier had ik een stukje vast inkomen waarmee ik de rest kon financieren. Alleen neemt dat dan weer zoveel tijd in beslag dat je niet meer toekomt aan de dingen waar je net tijd voor dacht te kopen. Cartoons tekenen vraagt een enorme discipline. Het neemt veel mentale ruimte in. Ik was er telkens ’s ochtendsvroeg al over aan het nadenken. Het is niet makkelijk om daar een langlopend project naast te doen. Cartoons zijn de 100 meter sprint, en een beeldroman is een ultraloop. Het zijn twee totaal verschillende disciplines waarin je tegelijkertijd bezig bent. Maar dat gaat natuurlijk niet, je kunt niet elke ochtend dat sprintje trekken, en dan elke namiddag die lange afstand erbij.” 

En dus ben je ermee gestopt.
“Ik had tot het einde van mijn carrière cartoons kunnen blijven tekenen. Toen ik eraan begon was dat niet alleen om mijn strips en andere projecten te financieren. Ik deed het ook graag, en ik stak er veel tijd in omdat ik het goed wilde doen. Ik heb er ook efficiënter door leren tekenen. Je hebt tekenaars die heel lang aan een tekening kunnen zitten prutsen, maar als cartoonist gaat dat niet. Ik heb daar veel uit geleerd, ook over bondig formuleren.”

Toch gaf je de zekerheid van een vast inkomen op om aan Soldaat-hovenier te werken.
“Het was eigenlijk de eerste keer in mijn leven dat ik iets van een vast inkomen had. Om dat dan op te geven, was niet makkelijk, maar ik wilde mijn vrijheid terug. En, in alle eerlijkheid, de jaren vliegen ook voorbij en ik wist dat ik met Soldaat-hovenier iets goeds in handen had. Maar dan moest ik er wel mee aan de slag. Er zijn heel veel goede ideeën, maar ze veranderen niet allemaal in een goed verhaal.

Alles begon met de dagboeken van mijn grootvader, waar ik mijn eigen verhaal van kon maken. Het idee was om over de grenzen van tijd en ruimte “samen te werken” met mijn opa. Dan heb ik eerst een soort scenario geschreven met die dagboeken als blauwdruk. Alleen heeft mijn grootvader erg weinig over de laatste oorlogsjaren geschreven, dus daar heb ik mijn verbeelding op moeten loslaten. Als ik wilde dat het verhaal voldragen was, dat het ging over de psychologie en over de mentale littekens die mensen meedragen, dan moest juist dat deel veel meer ruimte krijgen.”

Maar daar had je zelf ook ruimte voor nodig.
“En die is er pas gekomen nadat ik bij de krant gestopt was. Toen had ik er de ruimte voor. Dat was ook een periode waarin ik op het gebied van de beeldende kunsten een paar dingen gedaan had, die ik echt graag wilde doen. Op het kunstenfestival van Watou heb ik een heel mooi project kunnen doen, en toen was het alsof er een last van mijn schouders viel. Toen durfde ik me eindelijk een beeldend kunstenaar noemen, en toen kon ik mijn verhaal over Alois opnieuw oppikken.

Dat project was overigens ook deels geïnspireerd door mijn grootvader. De bomkrater in de Veurnestraat die een cesuur vormt in mijn strip zat daar ook in. Als hij daar was doodgegaan, dan had ik hier nu niet gezeten. Eigenlijk zijn mijn thema’s altijd dezelfde: schoonheid, verschrikking, troost. Soldaat-hovenier is daar maar één uitingsvorm van. Het wordt ook mijn laatste stripverhaal. Ik denk wel dat ik nog boeken zal schrijven, maar het zullen geen strips meer zijn. Het is misschien raar om te zeggen, maar ik voel mij niet echt een striptekenaar. Ik voel mij meer een speelvogel. Het leven is te kort om altijd hetzelfde te doen.” 

Toch spendeerde je veertien van die snel vervliegende jaren aan dit project.
“Omdat het iets waardevol is waarvan ik hoop dat het me zal overleven. Het is misschien ijdelheid, maar ik geloof echt dat dit verhaal een goede introductie kan zijn voor lezers die minder vertrouwd zijn met strips. Ik geloof dat Soldaat-hovenier een brug kan slaan naar mensen die gewoon graag een goeie roman lezen. Daar droom ik van. Bovendien heb je er op een bepaald moment ook al zoveel tijd en energie in gestoken, al zoveel aan getekend, dat je op een soort point of no return komt. Ga ik al die geïnvesteerde jaren laten liggen? Doe ik verder? Je moet jezelf ervan blijven overtuigen dat je met iets goeds bezig bent.” 

Twijfelde je daar dan toch soms aan?
“Laten we zeggen dat ik het nu makkelijker kan zien. Ik kan het boek nu vastpakken en het ongelofelijk schoon vinden. Sommige tekeningen doen me denken aan de werken van Baselitz, andere aan Bruegel, Rembrandt of aan Anselm Kiefer. Al heb ik dat natuurlijk niet heel bewust of systematisch gedaan. Alle kennis die je hebt, alles wat je al heel je leven bekijkt en opnieuw bekijkt, dat kruipt er allemaal in. Het heeft lang geduurd om de juiste stijl voor dit verhaal te vinden. Het eerste idee was om het te tekenen in een soort Vlaams-Duitse expressionistische stijl à la Gust De Smet of Otto Dix, maar dat gaf een veel te gestileerd verhaal. Ik heb dan toch gezocht naar een soort expressionistische of expressieve stijl die qua kleur en qua lijnen aansluit bij de periode. Maar uiteindelijk moet je toch gewoon je eigen gevoel volgen. Je kunt niet helemaal, geheel los van jezelf, beslissen hoe je gaat tekenen.”

Lees ook

Interview

Reinhard Kleist

Lees meer

Interview

Robert Crumb

Lees meer
Lees meer