Stripgids – productiehuis en expertisecentrum rond strips en beeldverhaal

Hij is een van de meest gelauwerde Nederlandse schrijvers, vindt de erotische scènes in de roman 'The Godfather' van Mario Puzo fascinerend en vergelijkt het lezen van strips met het verorberen van een plak cake. Tijdens ons interview draagt Arnon Grunberg een trui die een gelijkenis vertoont met het iconische kostuum van Batman, maar hij houdt niet van de almachtsfantasieën uit superheldenstrips: “Geef mij maar 'De avonturen van Kuifje'. Ik hou van tanende figuren zoals kapitein Haddock of Bianca Castafiore.”

Wat is jouw eerste stripherinnering?
Kuifje zonder enige twijfel. Dat vond ik een heerlijke reeks. Ik hield van de reizen en avonturen. Mijn eerste album was Kuifje en het zwarte goud. Het  verhaal fascineerde me, maar ik was te jong om echt te begrijpen waar het over ging. De avonturen van Kuifje staan bol van de verwijzingen naar de politiek en hebben dubbele bodems. Dat is nogal abstract voor een kind. Je wilt een wereld betreden die je als kind nog niet helemaal kunt binnengaan.”

Wat sprak je aan in De avonturen van Kuifje?
“Het is een soort scherm. De vreemdheid, humor en gelaagdheid hielden me bezig. Ik verslond Donald Duck ook, maar daar staat me niets meer van bij. Bepaalde scènes uit De avonturen van Kuifje kan ik nog steeds navertellen. Ik vertoefde graag in dat universum, net zoals in romans en films. Ze vergrootten mijn wereld, daar verlangde ik als kind al naar. Ik bleef Kuifje herlezen.”

Welke stripreeksen passeerden nog meer de revue?
“De voornaamste reeksen uit mijn kindertijd waren, naast Kuifje, Asterix en Suske en Wiske. Asterix was me eigenlijk net iets te fantastisch, denk aan die ketel met toverdrank. Naarmate ik ouder werd, hield ik almaar meer van realistische strips. Kuifje zit meer in de semi-realistische traditie. Die reeks stond voor mij gelijk aan thuis. Ik had tig albums. Suske en Wiske was voor mij meer verbonden aan uit huis zijn: overal waar ik kwam, hadden mensen daar stapels van liggen.”

Heeft het collaboratieverleden van Hergé een effect op hoe je nu naar Kuifje kijkt?
“Nee. Ik ben daar niet dogmatisch in. Wat Hergé maakte, hoort bij een bepaalde tijd. Kuifje had een onschuld die voor mij behouden blijft. De racistische prenten uit Kuifje in Afrika zijn verkeerd, dat weet ik heus wel. Maar in mijn herinnering blijft het anders. Bij kind-zijn hoort een zekere naïviteit. Een ander voorbeeld: Picasso sloeg vrouwen. Het is goed dat dat aan het licht kwam, maar moet er in het museum dan echt een bordje bij met een waarschuwing? Grote kunstenaars kunnen collaborateurs zijn. Schoonheid en goedheid zijn niet hetzelfde. Talent en goedheid ook niet. Daarin ben ik pragmatisch. Ik geloof niet in de zuiverheid van de mens.”

Welk gevoel gaven strips je?
“Ik vergelijk het met eten. Strips waren een soort van comfort food. Wanneer ik me niet lekker voelde of moe was, haalde ik een oud Kuifje-album van de stapel. Dat was net als een plak cake eten. Het gaat gemakkelijk naar binnen en je helt wat achterover op de bank.”

Lees je de strips uit je kindertijd nu nog?
“Nee, door een gebrek aan tijd. Maar ik kan niet wachten tot mijn zoontje ouder is en we samen door die verhalen kunnen gaan.”

Tekende jij als kind?
“Mijn handschrift is bar slecht. Het lukte me niet om in zo’n wolkje te blijven.”

Je bedoelt een tekstballonnetje?
“Ja. Voor mij is dat een wolkje. Een wolkje van tekst. Het woord ‘wolk’ trekt me meer aan dan ‘tekstballon’. Een ‘ballon’ heeft iets onnatuurlijks. Een wolkje is zoiets als nevel.”

Koesterde je, ondanks dat slechte handschrift, de ambitie om te tekenen?
“Nee. Ik krabbelde alleen maar wat. Dat kon je bezwaarlijk tekenen noemen. Ik probeerde wel te schrijven. Taal interesseerde me al van jongs af aan. Ik ben bijvoorbeeld iemand die luistert en onthoudt wat mensen zeggen. Hun outfits vergeet ik daarentegen snel. Ik was altijd al gericht op het woord. Ik hou niet van uitweidingen over hoe een kamer of bloem eruitziet. Geef mij maar een dialoog. Dat trekt me aan in strips. Een plaats hoef je er niet in te beschrijven. Weinig beeld kan veel zeggen. Maar een dialoog moet er zijn.”

“Ik was altijd al gericht op het woord. Ik hou niet van uitweidingen over hoe een kamer of bloem eruitziet. Geef mij maar een dialoog. Dat trekt me aan in strips”

Arnon Grunberg

Je trui is overigens in thema, hij heeft Batman-allures. Alleen de cape ontbreekt nog. Trokken superhelden je aan?
(lacht) “Deze trui is vooral lekker warm. En nee, superhelden doen me weinig. Die transformatie van Clark Kent naar Superman is een almachtsfantasie. Geef mij maar Kuifje, daar ontbreekt de almacht totaal. Ik hou van tanende figuren. Jansen en Janssen falen. Professor Zonnebloem faalt. Kapitein Haddock is een alcoholist. Bianca Castafiore is op haar retour. Ik begrijp wat er goed is aan superhelden, maar mij hebben ze nooit gegrepen. De films van Marvel ook niet. Ik geloof wel dat Superman een Joodse achtergrond heeft, maar die superhelden zijn voor mij te Amerikaans. Ik ben ook niet zo van het verkleden. Maar ik kan wel toneelspelen en me anders voordoen dan ik ben.”

En die cape is ook niet anoniem.
“Nee. Ik sta niet graag in het middelpunt. Iedereen kijkt naar je. Ik vind carnaval iets vreemds. En die superhelden hebben iets carnavalesk voor mij. Het is niet serieus.”

Had je ooit een oogje op een stripfiguur? Bij menig man prikkelde Fanny Kiekeboe de seksuele fantasie…
“Bij mij kwam erotiek via romans binnen. Het geschreven woord doet me meer dan beelden. Erotiek is zeker niet enkel visueel. Het is ook zeer talig. Dat vind ik een belangrijke stelling. Je hebt een verhaal nodig. Mocht er plotseling een naakte vrouw dit café binnenwandelen, dan zou dat niet meteen opwindend zijn. Je kunt wel zeggen of je haar mooi of lelijk vindt. Maar doorgaans heb je meer nodig dan dat. Toen ik elf of twaalf was, las ik The Godfather. Daarin stonden erotische scènes die ik zeer fascinerend vond. Maar in mijn favoriete stripreeksen kreeg ik het van geen enkele figuur echt warm. Tante Sidonia is het toppunt van afzichtelijkheid. Lucky Luke en die cowboy-fantasie is dan weer te Amerikaans. Ik had wel een boontje voor ‘Hilletje’…”

Wie is Hilletje?
“Zij komt uit de koker van Theo Thijssen, een Amsterdamse leraar die boeken schreef over zijn ervaringen op de lagere school. In die boeken komt een meisje voor dat Hilletje heet. Haar naam alleen al prikkelde me. En ook hoe ze werd beschreven. Het was zonder beeld. Ik stelde me er allerlei dingen bij voor. En het zinnetje ‘Hilletje geeft een gilletje’ trok me heel erg aan. Het gaf me een gevoel van verliefdheid of fascinatie.”

Hebben stripverhalen jouw werk beïnvloed?
“Ik leerde veel van beelden. Ik groeide op met films. Ze hebben een snelheid die je niet in een roman aantreft. Die snelheid vind ik interessant. In een film heb je niet veel nodig om iets duidelijk te maken. Dat geldt ook voor stripverhalen. Ze leerden me over de economie van een verhaal. Hoe vertel je een verhaal? Hoe komt een personage tot leven? Welke keuzes maak je? Hoe vertel je iets eenvoudig en op een snelle manier? Ik leerde doseren en bestudeerde de dialogen. De manier waarop iets gezegd wordt, betekent veel.”

Striptekenaar Hanco Kolk bewerkte jouw reisreportage over het Midden-Oosten tot een graphic novel. Wat voegde hij in Van Istanbul naar Bagdad toe aan jouw geschreven werk?
“De tekeningen van Kolk betekenen een absolute meerwaarde voor mijn tekst. Hij reisde niet mee naar het Midden-Oosten en toch passen zijn beelden ontzettend goed bij het verhaal. Ze zijn to the point. Dat vind ik straf. Ze beschrijven een ongemak of conflict op een subtiele en ironische manier. Dat probeer ik ook in mijn teksten.”

Wat is het verschil tussen het illustreren van een (reis)reportage of roman?
“Het moment dat je een boek voor volwassenen illustreert, haal je een deel van de potentie van literatuur weg. Eigen aan een reisreportage is dan weer dat je naar een gebied trekt waar je als westerling vreemd bent. Je verlaat je comfortzone. Door de reportage te verstrippen maak je de vervreemding tastbaar. Verstrippen voelt vertrouwder. Dat ervaar je ook in Maus van Art Spiegelman.”

In die graphic novel vertelt Spiegelman het Holocaustverleden aan de hand van dieren. Welk effect heeft dat op de lezer, denk je?
“Het bekende wordt daardoor weer vreemd. Iedereen kent het verhaal van de Holocaust. In Maus word je gedwongen om er met een andere blik naar te kijken. Dat vind ik heel knap. Dat kan het getekende doen. Je ziet het ook in de animatiefilm Spirited Away van de Japanse regisseur Hayao Miyazaki. Daar transformeren mensen in varkens. Ik vind Miyazaki psychologisch zeer sterk. De gelaagdheid van zijn werk is buiten categorie.”

Las jij ook manga?
“Nee. Dat is een van mijn blinde vlekken, samen met sciencefiction. Die blinde vlekken maken het leven interessant. Er zullen altijd nieuwe dingen zijn om te ontdekken. Ik wil me alleszins graag eens in manga verdiepen.”

Wat vind je van de term ‘graphic novel’?
“Ik zou er graag een ander woord voor vinden. ‘Graphic novel’ klinkt bijna te onvertaald. Ik heb niets tegen het Engels, maar het overheerst wel onze taal. Dat vind ik jammer. Taal is natuurlijk continu aan verandering onderhevig. ‘Strip’ is een politiek incorrecte term, ‘graphic novel’ is politiek correct. Maar het hele genre wordt onderschat. Strips werden, zeker vroeger, aangezien als minderwaardig, als geen ‘echte’ literatuur. Maar kijk naar het werk van Joe Sacco, Art Spiegelman of Alan Moore. Daar hoort de stempel ‘literatuur’ op te staan.”

Je werkt soms samen met illustrator Thé Tjong-Khing. Hoe verloopt dat?
“Dat voelt als een bevrijding. Met Thé werken is het tegenovergestelde van een kantoorbaan hebben. Lang geleden werkte ik op kantoor. Ik zat gevangen. Ik kon daar niet weg. En toen ik acteur probeerde worden, was het lastig dat ik altijd andere mensen om me heen nodig had. Ik vind onder mensen zijn leuk. Maar alleen zijn vind ik ook prettig. Ik wil de dingen zelf kunnen bepalen. Een boek schrijf je wanneer je wil. Dat is mijn ding.” 

En met Khing lukt dat?
“Ja. We werken nu weer samen aan een boek. Heel langzaam overigens. We hebben allebei ook nog heel veel andere projecten. Ik schrijf een hoofdstuk en hij maakt een tekening. We moeten op elkaar wachten. Dat is fijn. Ik ga nooit verder met schrijven tot ik een tekening van hem binnen heb. Soms ben ik te laat, dan weer hij. Zo creëer je een ander ritme van schrijven. Ik ben dan deels beïnvloed door zijn manier van tekenen. Ik permitteer me zaken die ik anders nooit zou durven. Zoals de overdrijving of het groteske. Ik verzin, vergroot dingen uit en doe alsof het realistisch is. De beelden geven mijn tekst een zekere vanzelfsprekendheid. Beeld voegt extra lichtheid toe.”

Op welke manier relativeren beelden?
“Een strip is bij uitstek een relativering. Denk aan een rouwkaart en een verstripte rouwkaart: de strip relativeert die rouw, dat zit in het genre zelf vervat. In tegenstelling tot poëzie, althans in deze tijden. Er schuilt iets onpretentieus in een strip. Ik neig naar die relativering. Soms heb je hyperbolen nodig voor een bepaalde boodschap. Ik hou meer van het understatement. Geef mij dat wolkje maar.”

Lees ook

Interview

Reinhard Kleist

Lees meer

Interview

Joris Vermassen

Lees meer

Interview

Robert Crumb

Lees meer