Stripgids – productiehuis en expertisecentrum rond strips en beeldverhaal

Kunnen striptekenaars de journalistiek redden? Steeds meer media publiceren getekende reportages in navolging van Joe Sacco, de peetvader van de 'stripjournalistiek'. Het fenomeen zorgt voor discussie op de redactievloer. Kan een strip wel objectief zijn? Hoe waarheidsgetrouw is een journalist met een tekenblok? Is een tekening kunst en een foto journalistiek? Stripgids stuurde journalist Karl van den Broeck naar het front. Hij wil vooral weten waarom het genre zo moeizaam doorbreekt in Vlaanderen. Zijn verslag heeft hij, bij wijze van bijdrage, wel opgeschreven. Het is hem voor een keer vergeven.

In het Engels noemt men het 'graphic journalism', in het Frans 'BD reportage'. In het Nederlands schippert de term tussen 'getekende verslaggeving', 'grafische journalistiek' en 'stripjournalistiek', al wordt die laatste term ook gebruikt voor journalistiek over strips (recensies, interviews, reportages) in plaats van 'journalistiek-in-stripvorm' waarover we het hier hebben. Stripjournalistiek lijkt me toch de term die het zal halen. Hij wordt onder meer gebruikt door Joost Pollmann, bekend van de Stripdagen Haarlem en zijn artikels, tentoonstellingen en lezingen over strips. Ook stripjournaliste Eva Hilhorst, die verbonden is aan het internetmedium De Correspondent en die met Drawing the Times zelf een platform voor stripjournalistiek runt, gebruikt die term om haar métier te benoemen.

Oké. Het kind heeft nu een naam, maar waar werd het geboren en hoe ziet het eruit? 'Getekende journalistiek' is zo oud als het stripgenre zelf. Scott McCloud, die met Understanding Comics in 1993 een standaardwerk schreef over de stripkunst, beschouwt het tapijt van Bayeux als het oudste bekende stripverhaal. Op dit 70 meter lange en 50 centimeter brede tapijt is geborduurd hoe Willem De Veroveraar in 1066 de Slag van Hastings won en zodoende Engeland veroverde. 

De combinatie van beeld en tekst maakt het volgens McCloud de allereerste strip. Aangezien het relaas ook gebaseerd is op waargebeurde feiten (die weliswaar vanuit het standpunt van de winnaar worden verteld) is het ook een reportage. En omdat het tapijt al twee jaar na de feiten werd getekend, is het ook eerder een 'reportage' dan geschiedschrijving.

Ook op andere plekken op de wereld werden en worden getekende verslagen gemaakt van recente gebeurtenissen. De winter counts van de prairie-indianen zijn daar een mooi voorbeeld van. De grafische geschiedschrijving in het Oude Egypte, de Olmeken, de Maya's en de Azteken eveneens. Geen strips, volgens de strippuristen. Omdat ze geen tekst bevatten.

Innige band met kranten

Strips hebben altijd al een innige band gehad met kranten (en tijdschriften). Zo werden voor de uitvinding van de fotografie heel wat illustratoren in de media aan het werk gezet. Vaak maakten zij prenten die voorzien werden van onderschriften. De 19e eeuw was dé glorietijd voor deze 'verhalende illustratoren' – die niet echt te vergelijken zijn met striptekenaars, omdat hun werk ten dienste stond van een lange geschreven reportage. Toen fotografen hun intrede deden in de journalistiek, verdrongen zij de tekenaars. Ze konden immers sneller werken en hun beelden golden ook als 'objectiever', wegens niet getekend en dus gefilterd door het oog en de hand.

Tekenaars bleven aanwezig op de redacties, maar in een wel erg ondergeschikte rol. Interessant is het fenomeen van de rechtbanktekenaars. Vooral in de VS leverde dat genre legendarische kunstenaars op: Howard Brodie vereeuwigde Charles Manson en Joseph W. Papin de inbrekers in Watergate. Rechtbanktekenaars hadden in de VS een monopolie in de federale rechtbanken tussen 1935 (het proces tegen de ontvoerder van de zoon van Charles Lindberg) en 1994, het jaar waarin O.J. Simpson terecht moest staan.

Ook de klassieke striptekenaars kregen een belangrijke plaats in de kranten. Die traditie begon met 'The Yellow Kid' in New York World van Joseph Pulitzer (ja, die van de gelijknamige prijs) in 1895 en leeft ook vandaag nog. Het is in de kranten dat de Belgische (en dus ook de Vlaamse) strip groot geworden is. Hergé effende het pad voor legendarische striptekenaars als Willy Vandersteen, Marc Sleen en Jef Nys. Vandaag komen striptekenaars veel moeilijker aan de bak in de kranten. Hun rol lijkt daar enigszins uitgespeeld.

Wie wel nog stand houdt in de krantenkolommen (en hun digitale versies) zijn de cartoonisten. Cartoons zijn zo oud als de kranten zelf en die werden in de 18e eeuw geboren. Satirische tekeningen met korte teksten die de actualiteit becommentariëren horen bij kranten zoals een editoriaal of het weerbericht. Ook dit genre wordt door puristen niet tot de strip gerekend omdat het meestal niet gaat over een zogenaamde 'sequentiële' kunstvorm (een opeenvolging van tekeningen met tekst). Toch zijn veel striptekenaars ook schitterende cartoonisten (en omgekeerd).

Stripjournalistiek plaatst de striptekenaar op hetzelfde niveau als de verslaggevers die geschreven reportages publiceren in de krant. Hun werk dient dus niet als aanvulling bij de journalistiek in de krant, maar maakt er wezenlijk deel van uit. De stripjournalist is een journalist, alleen hanteert hij zijn tekenblok als notitieboekje.

Joe Sacco wijst de weg

Het was ongetwijfeld de Maltees-Amerikaanse stripjournalist Joe Sacco (°1960) die het genre emancipeerde. Hij studeerde journalistiek aan de universiteit van Oregon. Daarnaast was hij actief als tekenaar in de Amerikaanse underground scene. In navolging van stripauteurs als Robert Crumb en Art Spiegelman tekende hij sterk geëngageerde strips voor volwassenen. Om rond te komen ontwierp hij platenhoezen en maakte hij cartoons. Tot hij in 1991 naar Palestina en Israël trok. 

Zijn grote voorbeelden waren niet langer striptekenaars maar beroemde journalisten als Tom Wolfe, Michael Herr (de grondleggers van de New Journalism-beweging) en 'gonzo'-journalist Hunter S. Thompson. Deze vormen van journalistiek zijn veel persoonlijker dan de traditionele. Journalisten voeren zichzelf er ook in op en zoeken eerder naar de ‘waarheid’ dan naar de ‘feiten’. Die aanpak is voer voor heel wat discussie in de media.

Sacco had een klassieke journalistieke opleiding gekregen. Hij leerde dat journalisten neutraal moesten zijn. De enige opinies die ze mochten toelaten in hun artikels waren opinies van gezaghebbende bronnen die woordvoerders zijn van een groep of een instelling. Die opvatting over journalistiek was sterk ingegeven door de wetenschappelijke methode. De 'new journalists' waren nederiger én tegelijk ook ambitieuzer dan dat. 

Zij beseften dat neutraliteit en objectiviteit niet bestaan en dat journalisten die zich daarop beroepen in feite de lezer bedriegen. Hoe objectief een journalist ook pretendeert te zijn, hij selecteert de feiten, zet ze in een context, beslist wie aan het woord komt en wie niet. De new journalists en de gonzo journalists aarzelen niet om zichzelf mee in het verhaal te brengen. Vaak blijven ze gedurende een lange periode ter plaatse, proberen ze het vertrouwen te winnen van de mensen die ze ontmoeten. Dat lijkt heiligschennis voor een old school journalist. Maar volgens Joe Sacco is dat niet het geval. 

Een citaat uit Journalism, een boek hij in 2012 schreef: “Door toe te geven dat ik aanwezig ben in een scène wil ik de lezer duidelijk maken dat journalistiek een proces is met naden en onvolkomenheden en dat het mensenwerk is – het is geen koude wetenschap die door een robot achter plexiglas beoefend wordt.” Joe Sacco voert zichzelf dan ook voortdurend op in zijn reportages.

Hij is erg kritisch voor de huidige journalistiek. Volgens hem kunnen getekende reportages veel meer dan geschreven reportages. Ze voegen lagen van ervaring, geschiedenis, emoties en actie toe. En dat allemaal op één pagina, op één strook soms. Er zijn natuurlijk ook nadelen verbonden aan het tekenen van een reportage. Je hebt veel meer plaats nodig om te tonen wat een schrijvende journalist in een paragraaf kan vertellen. Het werk is ook veel tijdrovender. Een cartoon laat zich nog in een uurtje of zo tekenen, maar een grafische reportage neemt erg veel tijd in beslag.

Sacco ziet het ook graag zeer groot. Zijn onderzoek in Palestina resulteerde in een negendelige reportage (vijf delen van Palestine: A Nation Occupied in 1993 en vier delen van Palestine: In the Gaza Strip in 1996). Ze leverde hem de National Book Award op in 1996, vijf jaar nadat Art Spiegelman de bekroning won met Maus. 

Hij zou ook de Eisner Award krijgen (de belangrijkste Amerikaanse stripprijs), maar vooral de Ridenhour Prize moet hem in 2010 enorm veel plezier gedaan hebben. Deze prijs, genoemd naar Ron Ridenhour, de Vietnam-veteraan die het My Lay-bloedbad onthulde, bekroont vooral onderzoeksjournalisten. En dat is wat Sacco in de eerste plaats wil zijn.

Er is een groot verschil tussen het (sublieme) werk van Sacco en dat van Art Spiegelman of Marjane Satrapi. Hun iconische graphic novels Maus en Persepolis zijn autobiografieën en geen journalistieke werken. Sacco doet meer dan verslag uitbrengen en naar zijn eigen navel staren, hij graaft ook naar de waarheid. In 2009 publiceerde hij Footnotes from Gaza waarin hij de verovering van Khan Younis in 1956 door het Israëlische leger beschrijft. 

Daarvoor kon hij maar gedeeltelijk een beroep doen op officiële documenten van de toenmalige commandant van de VN-vredesmacht. Dat er bij die aanval 275 Palestijnen, 140 vluchtelingen en 135 lokale bewoners om het leven kwamen, werd destijds vakkundig in de doofpot gestopt.

Sacco baseerde zich op de getuigenissen van mensen die nu nog op die plek wonen en maakte een zwarte bladzijde in het Israëlisch-Palestijns conflict opnieuw leesbaar. In zijn 418 pagina's dikke boek neemt hij ook officiële documenten op, net als een schrijvende onderzoeksjournalist zou doen.

Ik ben de allertraagste slow journalist'

Joe Sacco

Franstalige voorbeelden

Joe Sacco is al lang niet meer de enige stripauteur die zich op het journalistieke pad begeeft. Vooral in het Franse taalgebied zijn heel wat van zijn collega's actief. Hoe diepgeworteld het genre er is, kan worden afgeleid uit het feit dat de Franse zender France Info al sinds 1994 (!) een prijs uitreikt aan de beste 'bande désinée d'actualité et de reportage'. De Franstalige Canadees (die vooral in Frankrijk publiceert), Guy Delisle tekent en schrijft travelogues, persoonlijke reisverslagen over Shenzen, Pyongyang en Jeruzalem. Luchtiger en persoonlijker van toon, maar wel erg informatief – zoals het een goeie reisreportage betaamt.

Een volledig uniek project is Le photographe van Emmanuel Guibert (tekeningen, scenario en inkleuring), Frédéric Lemercier (inkleuring en layout) en Didier Lefèvre (scenario en foto's). Deze driedelige publicatie vertrekt van de foto's die fotograaf Didier Lefèvre in 1986 maakte in Afghanistan dat toen nog door de Sovjetunie bezet was. Het is geen pure stripjournalistiek omdat ook de foto's van Lefèvre worden verwerkt in het verhaal. Lefèvre zelf stierf in 2007.

Andere namen om te onthouden zijn zeker Etienne Davodeau die bekend werd met Rural, over de teloorgang van de Franse landbouw en Les Mauvaises Gens over de syndicalisten in het erg traditionalistische Franse departement Maine-et-Loire. Huiveringwekkend is ook Catharsis waarin Luz de (persoonlijke) naweeën van de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo tekent. Een (Franstalige) Belgische klassieker is Deogratias, een reportage over de genocide in Rwanda van Jean-Philippe Stassen.

Stripjournalisten zoeken ook elkaars gezelschap op in tijdschriften of op digitale platformen. In navolging van het Italiaanse blad Mamma! (vanaf 2009) is vooral La Revue Dessinée een goudmijn. Tientallen stripjournalisten presenteren er hun werk. Ook het fraai uitgegeven XXI publiceert lange stripreportages. Grote buitenlandse kranten ruimen ook vaak plaats voor stripjournalistiek. In Europa dan vooral de Süddeutsche Zeitung, The Guardian en het internetmedium De Correspondent.

Nederland boven

In Vlaanderen blijft het erg stil. Er zijn slechts een handvol tekenaars-journalisten actief. Het gebeurt niet vaak dat Vlaanderen op stripgebied Nederland moet laten voorgaan, maar in dit genre is dat wel het geval. Eva Hilhorst werkte een paar jaar in Brussel en leerde daar de Franstalige stripjournalistiek kennen. Ze vroeg in Nederland, samen met Mara Joustra (die haar sporen verdiende bij Oog & Blik ) een subsidie aan voor een online medium. Dat werd: Drawing the Times. Tjeerd Royaards biedt ook ruimte aan stripjournalistiek op The cartoon Movement en Mindshakes, een online jongerenplatform waar Mediahuis begin dit jaar de stekker uit trok). 

Joost Pollmann stelde in 2014 een expo samen over stripjournalistiek. Het mooie is dat die onderdak kreeg in het Amsterdamse Persmuseum. Daaruit blijkt dat de journalistieke wereld zijn vooroordelen over stripauteurs die op het domein van de schrijvende of audiovisuele journalisten komen, stilaan aan het kwijtraken is. Op het Brusselse Stripfeest/Fête de la BD, begin september 2017, zal de Franstalige krant Le Soir een stripprijs voor de beste 'BD-reportage' uitreiken.

De toenadering tussen de stripwereld en de journalistiek is een goeie zaak voor de striptekenaars. Zij komen steeds minder aan de bak in kranten en weekbladen, waar ze nochtans meer dan honderd jaar geleden uit het ei gekropen zijn. In het buitenland zie je dat stripauteurs veel minder werken aan een album, maar gewoon op reguliere basis reportages maken voor kranten, week- of maandbladen. 

Een mooi voorbeeld is de Duitser Olivier Kugler die regelmatig opduikt in de kolommen van The Guardian, Süddeutsche Zeitung, The New York Times, Harper's, Le Monde Diplomatique en The New Yorker. Toch heeft hij nog maar één boek gepubliceerd (Mit dem Elefantendoktor in Laos).

Stil Vlaanderen

In Vlaanderen is het aantal stripjournalisten op de vingers van één hand te tellen. De bekendste is ongetwijfeld Jeroen Janssen (°1963). (zie kader 1) In 2008 publiceerde Knack regelmatig grafische reportages van Serge Baeken. Maar dat initiatief bloedde snel dood. Baeken heeft ook zo zijn bedenkingen: “Zelf vind ik het medium niet zo geschikt om er reportages mee te maken,” zegt hij nu. “Je mist de natuurlijke waarachtigheid die een camera al dan niet terecht wel heeft. 

Andersom – fotostrips – werkt ook niet zo goed. Strips zijn meer geschikt als verhalen- dan als feitendragers.” In die periode experimenteerde De Standaard ook al met het genre door Nix getekende verslagen te laten maken van de zomerfestivals. Wauter Mannaert tekent reportages in Bruzz en Judith Vanistendael doet soms ook uitstapjes in dat genre.

Ilah en Eva Mouton blijven vaak dicht bij de realiteit, maar wagen zich niet aan echte journalistiek. Hun werk valt eerder te catalogeren als getekende dagboeken of columns (ook een journalistiek genre, overigens). Vorig jaar maakten de studenten van Sint Lukas een boek met opgemerkte (fictieve) stripreportages gebaseerd op het journalistieke werk van VRT-journalist Rudi Vranckx (Kleine helden). In zijn voorwoord bij het boek schreef uitgever Johan Stuyck (die ook de opleiding beeldverhaal van Sint-Lukas coördineert): “Net zoals ten huize Vranckx de koffer steeds gepakt staat, is dat bij Kuifje sinds 1929 al het geval. 

Hergé baseerde zijn held op de sterjournalisten van zijn tijd en misschien is die oerversie van de reizende reporter zonder grenzen op zijn beurt wel een voorbeeld geweest voor latere verslaggevers van vlees en bloed. De thema’s die Hergé, na intens researchwerk, op de lezer losliet - mensensmokkel in Cokes in voorraad of drugstrafiek in De blauwe Lotus - zijn helaas nog steeds actueel.”

Soms werken tekenaars ook samen met onderzoeksjournalisten die als scenaristen fungeren. In 2013 publiceerde Apache (disclaimer; ondergetekende werkte toen nog niet voor dit medium, dit is dus geen sluikreclame – KvdB), Diamantgate van Yves De Ridder. Daarin verstripte De Ridder een onderzoek van Apache naar de totstandkoming van de zogenaamde 'afkoopwet'. Die wet stelt belastingfraudeurs in staat om hun rechtszaak af te kopen en was op maat geschreven van een paar frauduleuze diamantairs in Antwerpen. 

Het wraakroepende van de zaak was dat de Antwerpse procureur Yves Liégeois zelf betrokken was bij de totstandkoming van de wet en bij parlementsleden die de diamantsector genegen zijn, lobbyde om de wet snel door het parlement te jagen. De strip zorgde voor heel wat ophef. Liégeois reageerde als een gebeten hond en noemde Diamantgate “verzinsels”. Yves De Ridder verdedigde zich dat alle feiten in zijn strip gebaseerd waren op het gedegen onderzoek van Apache en dat hij enkel de dialogen verzonnen had. Mediaspecialist Leo Neels waarschuwde dat dit nieuwe genre de lezer in verwarring kan brengen. 

Vooral de gefingeerde dialogen zaten hem hoog, ook al erkende hij het nut en het belang van dit nieuwe genre binnen de journalistiek. In het voorjaar van 2017 boog het Belgische parlement zich over de afkoopwet. Tijdens de zittingen van een onderzoekscommissie bleek alvast dat de feiten waarop Diamantgate gestoeld is, volledig correct zijn. Een late erkenning voor Yves De Ridder.

Recent stak ook Nathalie Carpentier haar neus aan het venster. Zij is een gerenommeerde journaliste (ex-De Morgen, ex-Humo), maar legt zich nu ook toe op stripjournalistiek in DS Weekblad en De Correspondent. (kader 2)

Stripjournalistiek heeft enorm veel potentieel, ook in Vlaanderen. Het is een unieke en persoonlijke vorm van journalistiek die erg hedendaags is en die kranten en weekbladen een exclusief karakter kunnen geven. In de gouden jaren van de krantenstrips deden reeksen als ‘Suske en Wiske’ of ‘Nero’ de oplages fors stijgen. Een transfer van een tekenaar van de ene naar de andere krant was groot nieuws en betekende een aderlating voor de ene en een forse boost voor de andere. Misschien worden stripjournalisten binnen tien jaar opnieuw de coryfeeën van de journalistiek. 

Net zoals kranten elkaar nu beconcurreren door de beste journalisten weg te kopen en als 'senior writers' of 'grand reporters' prominent uit te spelen in hun kolommen, zouden ze er baat bij hebben om het enorme potentieel van Vlaams striptalent te coachen in deze nieuwe discipline. En hen daarbij ook financieel de ruimte te geven om deze waardevolle soort van slow journalism te beoefenen.

Epiloog

Joe Sacco kent zijn klassiekers. Vorig jaar publiceerde hij een wel heel speciale 'strip': een acht meter lange panoramische tekening van de Slag van de Somme, een van de gruwelijkste episodes uit de Eerste Wereldoorlog. The Great War verwijst overduidelijk naar het tapijt van Bayeux dat minutieus de krijgsverrichtingen beschrijft van een veldslag die 850 jaar eerder plaatsvond. En zo maakte de vaandeldrager van de stripjournalistiek de cirkel rond, tot aan de grondleggers ervan. Een ding is sindsdien niet veranderd: stripjournalistiek is nog steeds monnikenwerk.

Na zijn opleiding aan Sint-Lukas in Gent werd hij leraar in Nyondo, Rwanda. Hij verbleef er van 1990 tot 1994, het jaar van de gruwelijke genocide. Uit die ervaringen ontsproot een eerste (fictieve) strip: (Muzungu, Sluipend Gif in Rwanda). Later volgde een uit de kluiten gewassen graphic novel, Bakamé. “In die eerste boeken zaten veel elementen verwerkt die rechtstreeks uit het echte leven gegrepen waren,” zegt hij. “In Bakamé ging het dan specifiek over Afrika, waar ik een paar mooie jaren van mijn leven gewoond heb maar waar nogal dramatisch een einde aan kwam met de genocide van 1994.

Toen de inspiratie begon te tanen omdat ik al te lang terug in Europa was, kreeg ik de kans om een reportage te tekenen in Rwanda voor Knack Boeken. Van het een kwam het ander, ik voelde dat dat echt mijn ding was, ging mijn werk aanbieden bij het Franse blad XXI dat driemaandelijks een lange stripreportage publiceert, vaak van grote kleppers als Sacco of Stassen. Jammer, het mocht niet over Rwanda gaan, wel over een ander (voor Fransen dan toch) exotisch land: België.”

Janssen streek neer in Doel, het polderdorp op de linkeroever van de Schelde dat dreigt te moeten wijken voor de uitbreiding van de Antwerpse haven. Jeroen Janssen trok er naartoe en is er eigenlijk nooit weggegaan. De weinige mensen die nog wonen in wat een spookdorp is geworden, kennen en vertrouwen hem. Die bevoorrechte positie maakt dat hij met Doel even indringende journalistiek kan bedrijven als illustere grand reporters als Chris De Stoop of Dirk Draulans die al vaak over het drama van Doel hebben geschreven in Knack en in hun non-fictieboeken. Jeroen Janssen blijft het buitenland opzoeken en publiceerde ook over Ecuador (Guaranda) en (opnieuw) over Rwanda (Abadaringi)

Waarheidsgetrouwheid is essentieel voor hem: citaten noteren, bronnen checken. “Inderdaad. Wanneer ik met mensen praat probeer ik me hun manier van spreken goed in te prenten, en wil ik hetgeen ze vertellen correct weergeven. Ik zal wel schaven aan de taal, de zinnen mooier maken en zo, maar ik probeer de geest te respecteren. En ik toets – zeker wanneer ik twijfel of iets niet goed begrijp – hun verhalen ook aan bronnen.

Ik lees veel over mijn onderwerp, maar uiteindelijk wil ik ook het esthetische dienen, en de lezer niet teveel overladen met feiten en namen.” Een stripjournalist kan moeilijk undercover werken. Hij moet schetsen maken en dat tekenblok valt moeilijk te verstoppen. Toch ervaart Janssen dat niet als een handicap: “Meestal niet; ik breng dan ook heel veel tijd door met mijn personages. Uiteindelijk wordt het iets heel natuurlijks dat ik zit te tekenen terwijl wij een gesprek hebben – of terwijl mensen een gesprek hebben en ik op de achtergrond toekijk en luistervink.

Zelden gebeurt het dat iemand zich niet wil laten tekenen, of geen diepgaand gesprek met mij wil. Dat maken mensen meestal meteen duidelijk. Andere mensen aarzelen, maar vaak staan ze na een paar maanden of jaren toch toe dat ik hen teken. Ik teken ook wel eens mensen zonder dat ze het weten. Dan gaat het vaak om figuranten. Ik zeg altijd: doe maar of je niet weet dat iemand je aan het tekenen is. Na verloop van tijd beseffen ze dat ook niet meer, soms geraak ik zo in trance dat ik het zelf niet meer besef.”

Is stripjournalistiek dan een vorm van slow journalism, een tegengif tegen de copypaste-journalistiek die de media besmetten en de kranten soms omtovert tot oppervlakkige eenheidsworst? Janssen: “In mijn geval zeker wel. Misschien komt het door de onderwerpen die ik kies, ik voel me meer op mijn gemak wanneer ik geen prangende deadline heb, wanneer ik de luxe heb om te schrappen of te herbeginnen. Een sportwedstrijd of een betoging tekenen, ik zou het ook wel kunnen proberen. Maar het resultaat zou mij vaak niet bevallen.

Wanneer ik aan een boek werk, over de geschiedenis van een dorp of van een kunstschool in Afrika, heb ik de luxe dat ik mag mislukken, dat ik telkens opnieuw hetzelfde kan tekenen tot het helemaal goed zit. Misschien ben ik wel de allertraagste van alle slow journalists.” (lacht) Jeroen Janssen kijkt op naar de grote namen in het genre: “Joe Sacco is een grote inspiratie voor mij. Zijn manier van vertellen vind ik heel goed. Het verschil is dat ik mijn tekeningen ter plaatse maak, niet in het atelier.

Ik hou ook van de verhalen en de kleuren van Stassen, van Olivier Kugler en Guy Delisle: heel uiteenlopende stijlen. Geen van allen lijkt mij rechtstreeks naar het leven te tekenen - al vermoed ik dat ze wel voorbereidende schetsen maken.” Uiteraard voelt Jeroen zich ook verwant met schrijvende journalisten als Chris De Stoop (“en dat niet alleen omdat we vaak over hetzelfde onderwerp schreven”). “En een boek als Congo van David Van Reybrouck, daar kan je ook niet omheen.”

“Stripjournalistiek voegt een extra dimensie toe aan mijn werk”

Nathalie Carpentier

Nathalie Carpentier begon haar carrière als schrijvende journaliste bij de krant De Morgen. Ze bouwde daar een ijzersterke reputatie op als wetenschapsjournaliste. Later beet ze zich vast in meer maatschappelijke thema's, zoals de problematiek van dementie. Ze schreef daarover het boek Verdwaald in het geheugenpaleis (2012). Daarvoor bundelde ze ook al een reeks interviews met bekende neurowetenschappers in Het breinrapport.

Na omzwervingen bij Humo begon Carpentier te freelancen onder meer voor DS Weekblad en Knack. Maar de belangrijkste omwenteling in haar carrière was haar keuze om een opleiding beeldverhaal te gaan volgen in Sint-Lukas in Brussel. De schrijvende journaliste wordt stilaan een stripjournaliste.

“Ik heb altijd getekend. Ik volgde academie in Turnhout en als kind verslond ik ‘Robbedoes’, ‘De Rode Ridder’, ‘Thorgal’ en ‘Buck Danny’. Na mijn jeugd bleef ik de stripwereld toch wel een beetje volgen: de expo's van Beeld Beeld in Leuven: Lorenzo Matotti, Schuiten & Peeters. Mijn vrienden en vriendinnen vroegen me waarom ik niet meer tekende. Ik besloot mijn stoute schoenen aan te trekken en trok naar Humo.

Ik vroeg aan toenmalig hoofdredacteur Danny Ilegems of ik mijn stukken mocht illustreren. Met een klein hartje liet ik hem mijn tekeningen zien en ik was supergelukkig dat hij ze goed vond. Daarna hoorde ik van een collega dat hij de opleiding beeldverhaal volgde aan Sint-Lukas. Ik kon dat toen nog niet combineren en daarom volgde ik een masterclass strips en een internetcursus om te leren hoe je verhalen moet vertellen en scenario's moet maken.”

Nathalie Carpentier ging zich uiteindelijk toch inschrijven bij Sint Lukas en krijgt momenteel les van Ilah. Volgend jaar van Judith Vanistendael. “Ik leer enorm veel van hen. Hoe je best een verhaal vertelt, bijvoorbeeld. Ze stimuleren mij heel erg. En dat heb ik wel nodig, want voor mij is dit onontgonnen terrein. Al heb ik vroeger wel strips gemaakt voor mijn vriendjes. Verhalen over wat we meemaakten. Heel persoonlijk allemaal, en zeker niet voor publicatie bestemd.” (lacht)

In het voorjaar van 2016 trok Carpentier opnieuw met een klein hartje naar de redactie van De Standaard. Ze had het ongewone verhaal van een kennis getekend en tot haar grote vreugde waren ze er weg van. “Daardoor kreeg ik de opdracht vraag of ik een hele zomer lang mensen wou vragen waar ze spijt van hadden. De antwoorden tekende ik uit in een beeld verhaal. Een sprong in het diepe, maar wel fantastisch.” De respons was overweldigend. “Ik besefte dat stripjournalistiek iets helemaal anders is dan geschreven journalistiek. Je voegt een extra dimensie toe omdat je kunt verbeelden wat mensen voelen. In tekst is dat veel moeilijker.”

De reeks begon met een memorabel moment toen Nathalie Carpentier in een café aan het Fontainasplein in Brussel aan een man vroeg of ze hem mocht tekenen. “Hij stemde toe, maar lette helemaal niet op mij. Stilaan zocht hij contact en begon hij zijn leven te vertellen. Al snel bleek dat zijn zoon een Syriëstrijder was die gestorven was in Syrië. Een aangrijpend verhaal dat me zomaar in de schoot werd geworpen en dat meteen de eerste aflevering werd in DS Weekblad.”

In januari 2017 verscheen een fijngevoelige reportage op De Correspondent. Daar begaf Carpentier zich weer op vertrouwd terrein: een woonzorgcentrum voor bejaarden met vergevorderde dementie. “Het was een vrij korte reportage, maar de reacties waren enorm positief. Ik had duidelijk een gevoelige snaar geraakt. Ik besefte dat ik in deze getekende reportage veel meer kon tonen hoe ik me – als journalist – voel bij mijn werk. Je voelt makkelijk gêne wanneer je zo'n afdeling vol mensen met dementie binnenstapt. Praten is er niet bij, dus veel tekst is er niet. Je kunt alleen maar tonen hoe hele kleine dingen een effect hebben op die mensen: een hand aanraken, iemand aaien. Ik kan ook een stap verder gaan. Ik kan verbeelden wat zij voelen. Of zoals Judith zegt: ‘Vertellen over eenzaamheid kun je alleen door eenzaamheid te verbeelden.’”

Lees ook

Lees meer

Long read

Alison Bechdel

Lees meer
Lees meer