Stripgids – expertisepunt en productiehuis rond strips en beeldverhaal

Het zou een perfecte quizvraag zijn. Wat hebben het Louvre, het Red Star Line Museum, het Rijksmuseum en het Jenevermuseum met elkaar gemeen? En laat het verrassende antwoord nu toch eens zijn: 'Strips!' Een verkenning.

Strips en musea: het lijken op het eerste gezicht twee werelden die mijlenver uit elkaar liggen. Maar niets is minder waar. Musea ontdekken steeds vaker het potentieel van het beeldverhaal. Als je vandaag een museum bezoekt, is de kans heel groot dat je er strips aantreft. En niet alleen in de museumshop, maar ook in de kern van wat de ‘museale werking’ heet. Strips kunnen een manier zijn om collecties artistiek te interpreteren, of om complexe geschiedenissen toegankelijk(er) te maken voor een breder publiek. Als educatief instrument helpen ze dus om de toegangspoort tot het verleden te verbreden. 

Dat is opvallend, want strips werden ooit eerder pejoratief beschouwd als een uiting van ‘populaire cultuur’, vooral gericht op kinderen, een lichtgewicht in de grote cultuurfamilie. Het onderscheid met musea, die eerder bij de ‘hoge cultuur’ werden gerekend, kon niet groter zijn. Bovendien waren strips extra verdacht omdat de stripsector een commercieel businessmodel hanteert. En cultuur en commerce, 'ça ne va pas ensemble', zo luidde het adagium. 

Maar kijk, gelukkig veranderen de tijden, en vervaagt het onderscheid tussen hoge en lage cultuur, of tussen gesubsidieerde en commerciële cultuur steeds verder, in het voordeel van een veel meer hybride cultuurbeleving. Dat zien we ook weerspiegeld in de museumwereld. Als we zien hoe en waar musea strips gebruiken, worden strips vandaag aanvaard als een volwaardig en uitermate geschikt medium waarmee musea hun verhalen kunnen brengen, bezoekers aanspreken en hun collecties ontsluiten. 

Nieuwe museumdefinitie

Niet alleen de cultuurbeleving verandert, maar musea als instellingen eveneens. De internationale museumsector herdefinieerde in 2022 het begrip ‘museum’. Na jaren van intens overleg, georganiseerd door de International Council of Museums, kortweg ICOM – dé internationale, overkoepelende organisatie voor musea, erkend door UNESCO, de cultuurpoot van de Verenigde Naties – werd bepaald dat een museum aan volgende definitie dient te voldoen om dit kwaliteitslabel te mogen dragen:

“Een museum is een permanente instelling zonder winstoogmerk, in dienst van de samenleving, dat materieel en immaterieel erfgoed onderzoekt, verzamelt, bewaart, interpreteert en tentoonstelt. Het is open voor het publiek, toegankelijk en inclusief, en stimuleert diversiteit en duurzaamheid. Musea opereren en communiceren ethisch, professioneel en met deelname van gemeenschappen. Ze bieden een divers publiek educatie, vermaak, reflectie en kennisdeling.” 

In vergelijking met de voorgaande museumdefinities, ligt de focus nu veel meer op inclusiviteit, diversiteit en duurzaamheid. Anders dan in het verleden worden musea uitgenodigd om veel meer 'maatschappelijke betrokkenheid' te tonen: zo is er de nadruk op actieve participatie en samenwerking met verschillende gemeenschappen. 

Samengevat: daar waar musea in het verleden zich weleens profileerden als sacrale plekken van 'De Kunstgeschiedenis' (of 'De Geschiedenis'), worden ze nu veel meer gestimuleerd om de hand te reiken aan de samenleving in al haar diversiteit. 

Strips helpen musea bij hun maatschappelijke rol

De opmars van strips in de museumwereld is dus allesbehalve toevallig. Strips bieden musea de mogelijkheid om de brug naar de samenleving te slaan, precies omdat ze op een unieke manier beeld en tekst in verhaalvorm combineren. Op die manier zijn ze een prima aanvulling bij de eerder klassieke tekstbordjes in de museumzalen of de audiogidsen om de complexe of sprekende verhalen over te brengen die musea willen delen. 

Ze helpen om abstracte informatie concreet te maken en om informatie beter te onthouden, zonder aan historische ‘waarheidsvinding’ in te boeten – een sleutelbegrip in de erfgoedsector. Tot slot kunnen stripverhalen hun narratief potentieel helemaal waarmaken en levenloze objecten opnieuw ‘leven inblazen’. Musea willen immers niet enkel de rationele kant van bezoekers aanspreken en uitsluitend feiten en kennis overdragen. Het doel is om meer betekenisvolle ervaringen te bieden en daarin spelen emoties een belangrijke rol: verschillende onderzoeken naar vormen van museumbeleving tonen aan dat bezoekers informatie beter verwerken wanneer die gekoppeld wordt aan emotioneel geladen verhalen en persoonlijke identificatie. 

In het kielzog van het Louvre

Maar over welke strips hebben we het dan concreet? Laat ons beginnen met het Louvre, het grootste en meest prestigieuze museum ter wereld. Dat begon al in 2002 de stripwereld te verkennen door een samenwerking op te zetten met de Franse uitgeverij Futuropolis. Niet omdat het museum te weinig bezoekers trok. Integendeel, de uitdaging lag er in om de kunstwerken op andere manieren toegankelijk te maken dan enkel via een fysiek bezoek. Het Louvre kampte immers allang met een bizar fenomeen: de enorme publieke belangstelling voor een handjevol werken, waarvan de Mona Lisa van Leonardo da Vinci de bekendste is. Drommen toeristen trekken als lemmingen naar de topwerken, en gunnen doorgaans de andere werken en afdelingen geen blik waardig. 

Tijd dus om andere producten uit de hoge hoed te toveren, zoals de strip, een van Frankrijks culturele exportproducten. Onder de veelzeggende titel Un autre regard kregen aanvankelijk vier auteurs – Nicolas de Crécy, Marc-Antoine Mathieu, Eric Liberge en Yslaire – carte blanche om te reflecteren over de instelling en haar collecties. 

De Crécy was in 2005 de eerste en vatte zijn unieke blik in 2005 met Période glaciaire (vertaald als IJstijd). In een interview duidt hij de insteek van zijn verhaal: 'Na een bezoek aan het Louvre had ik het gevoel dat ik eigenlijk niks wist. Dus toen heb ik personages bedacht die nóg minder wisten dan ik. Zij betreden het Louvre nadat het eeuwenlang in de vergetelheid is geraakt. Ze dwalen door de museumzalen en proberen te begrijpen wat ze zien.' In die verre toekomst speelt Hulk, een genetisch gemanipuleerde hond met een bijzondere reukzin, de hoofdrol bij een archeologische expeditie op het verloren ijscontinent Euro. Een argeloze en hoogst poëtische blik dus op het instituut ‘museum’. 

Na De Crécy volgden de anderen van dat kwartet, maar ook Etienne Davodeau (met De schele hond), Jirô Taniguchi (met De wachters van het Louvre), Enki Bilal (met Les Fantômes du Louvre), ‘onze’ Judith Vanistendael (met Atan van Kea) en vele anderen. 

Aan de overkant van de Seine nodige het Musée d’Orsay, Catherine Meurisse uit om bij hen hetzelfde te doen. Meurisse, jarenlang redacteur bij Charlie Hebdo en lid van de prestigieuze Académie des beaux-arts, gaf in 2014 met Moderne Olympia haar knotsgekke, heerlijke lezing van het museum. De hoofdrol is voor Olympia, het personage van het gelijknamige, iconische schilderij van Édouard Manet. De klassieke kunsthistorische benadering van het werk ruimt de baan voor een swingend verhaal waarin Olympia een jonge, ambitieuze wannabe actrice is die droomt van een carrière in de filmindustrie en musical. Het museum wordt een filmstudio, inclusief intriges, steracteurs met de onvermijdelijke kapsones, scènes die doen denken aan de beroemde musical West Side Story enzovoort. Na Meurisse volgden er nog stripproducties, van onder meer Manuele Fior en Stéphane Levallois.

Ook in de lage landen

Na een tien jaar durende renovatie heropende in 2013 het Rijksmuseum, het museale vlaggenschip van Nederland. Een van de onderdelen van het uitgebreide, feestelijke openingsprogramma was de lancering van Typex’ Rembrandt, een pil van 240 pagina’s over het leven en werk van Rembrandt Harmenszoon van Rijn. Het Rijksmuseum had de strips van het Louvre op de radar. En leende het werk van Rembrandt, niet toevallig een van de schilders uit de zogenaamde Gouden Eeuw, zich niet perfect voor een stripverhaal? 

In het Rijksmuseum kun je bijvoorbeeld naar De Nachtwacht gaan kijken, zoals voormalig Amerikaans president Barack Obama deed bij een bezoek aan Nederland. Maar het museum heeft ook een rijke collectie schetsen, etsen (met de bijhorende matrijzen) en tekeningen van Rembrandt. Op voorspraak van de toenmalige stripintendant van Nederland viel de keuze op stripmaker Typex. (Die stripintendant was een tijdelijke maar prestigieuze functie om de Nederlandse stripcultuur te stimuleren en te internationaliseren. Het werd om diverse redenen geen succes).

In deze strip belicht Typex het leven van de kunstenaar en zijn entourage. Naast zijn collega’s, familie, klanten, huishoudsters, de leden van de beroemde nachtwacht maakt zelfs een olifant zijn opwachting. Door de kronkels van de geschiedenis blijkt dat er over het leven van Rembrandt zelf relatief weinig bekend is. Naast zijn oeuvre zijn maar weinig bronnen of getuigenissen over de meester. 

Die leegte vulde Typex handig en geloofwaardig in met een eigen interpretatie. Hij portretteert hem als een haast onmogelijke, eigenzinnige vent, een van elke vorm van empathie verstoken brombeer die even geniaal als gierig is. Bezeten ook, ongeduldig en brandend ambitieus. Het is grotendeels via de nevenpersonages dat de lezer Rembrandt leert kennen. De titel van het boek is dan ook niet toevallig Typex’ Rembrandt. Zelf omschreef Typex het als 'een autobiografie van Rembrandt.' Ook hier verlaat de auteur doelbewust de klassieke, enigszins platgetreden kunsthistorische paden. Desalniettemin gebruikt Typex regelmatig een bijzonder procedé. Hij neemt namelijk sommige illustraties van Rembrandt uit de rijke collectie van het Rijksprentenkabinet over, en tekent erop verder, helemaal in de zwierig-elegante stijl van Rembrandt. Het maakt van het album een liefdevolle, kundig gecomponeerde en overtuigende pastiche, en ook een uitnodiging om Rembrandts werk anders (of opnieuw) te gaan bekijken.

In ons land bestaat de traditie van musea om strips in hun communicatiestrategie in te schakelen al iets langer, zij het op een andere manier dan de voorbeelden die we tot dusver hebben aangehaald. Er is uiteraard sterreporter Kuifje, die in Het gebroken oor (1937) een museum bezoekt. Dat blijken de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te zijn, de KMKG, zoals we vernemen in de catalogus van de expo Le Musée imaginaire de Tintin in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel (1979). Een precolumbiaans houten beeldje uit Peru uit de collectie van dat museum zet het verhaal in gang. 

Het vermelden waard is ook De raap van Rubens, het 164e verhaal van Suske en Wiske, uitgegeven ter gelegenheid van het Internationale Rubensjaar in 1977. Dat verhaal speelt zich grotendeels af ten huize Rubens in Antwerpen, vandaag een drukbezocht museum, het Rubenshuis. Je krijgt een goed idee van het leven, werk en de context waarin Rubens opereerde. 

In Sterrenrood, album 328, en De geplaagde Plantijn, album 366, komt het heldenduo terecht in de gebouwen wat vandaag respectievelijk het Red Star Line Museum en het Museum Plantin-Moretus zijn, eveneens in Antwerpen. Daarbij worden veeleer historische verhalen gebracht in een avontuurlijk jasje en de  narratieve wereld van Suske en Wiske, met onder meer de gebruikelijke set vaste personages. De locatie waarin het Red Star Line Museum is gevestigd is een zogenaamd lieu de mémoire, een betekenisvolle plek waaraan een hele set verhalen (of een ‘geheugen’) verbonden is: het was decennialang de vertrekplaats van de passagiersschepen waarmee ‘landverhuizers’ op het einde van de 19e, begin 20e eeuw hun geluk in de Verenigde Staten gingen zoeken. Het museum gaat in essentie over migratie, en de mensen die dat doen, vroeger en nu. Museum Plantin-Moretus behandelt dan weer een stuk intellectuele geschiedenis, aan de hand van het verhaal van de wereldberoemde drukker-pionier Christoffel Plantijn. In beide musea krijg je dus stevige historische kost, die via Suske en Wiske voor een jong publiek bevattelijk(er) wordt gemaakt.

In 2024 pakte het Jenevermuseum in Hasselt dan weer uit met Stoker, een strip die Michaël Olbrechts in opdracht van het museum maakte. De conservator van het museum was tijdens de internationale conferentie Comics @ the Museum (die in september 2022 mee door Stripgids werd georganiseerd) op het idee gekomen, naar analogie van het ‘Louvre-model’. Ook Olbrechts kreeg carte blanche na een inhoudelijk bad in de museumcollectie en -geschiedenis. Stoker brengt het (fictieve maar op ware gebeurtenissen gebaseerd) verhaal van een zekere Bruno De Clercq, een 'ongrijpbare zwartstoker uit Oost-Vlaanderen' en situeert dat rond 1910. Via het relaas van De Clercq schetst Olbrechts de intrigerende geschiedenis van de illegale jeneverproductie in België. Op het einde van de negentiende eeuw nam die een hoge vlucht door de torenhoge accijnzen op alcohol. 'Het is geen puur chronologisch verhaal geworden, maar een verhaal waarmee ik voornamelijk volwassen lezers wil raken met echte personages met diepgang', aldus de auteur. 

Het zijn overigens niet alleen musea die zich vandaag wagen aan stripverhalen. Ook het KADOC, voluit het Katholieke Documentatie- en Onderzoekscentrum voor Religie, Cultuur en Samenleving van de KU Leuven, heeft een project in de steigers staan. In dit archief vind je informatie over het tragische leven van de Congolese jongen Nzige Lutete. Nzige werd geboren  rond 1885, het moment waarop Leopold II zijn koloniale onderneming op de beruchte Conferentie van Berlijn aan de andere Europese mogendheden wist te verkopen als een ‘beschavingsproject’ met als belangrijk element 'de strijd tegen de slavenhandel'. Nzige was de zoon van een belangrijke Congolese leider en werd in 1894 naar België gebracht. Hij zou er een Europese opvoeding krijgen. Als exotische verschijning werden zijn komst, doen en laten in ons land nauwlettend in de gaten gehouden. Onder meer de pers berichtte geregeld over zijn leven ‘in de beschaving’ en hoe hij erin slaagde om zich ‘aan te passen’. Het archiefmateriaal geeft echter een onvolledig beeld. Auteur Thibau Vande Voorde, die in 2020 debuteerde met De kever en de koning puzzelt nu 'een waarachtige vertelling over Nzige' ineen, 'zonder daarbij het vele niet-weten uit het oog te verliezen en in de valkuil van de toe-eigening te trappen.' Het boek wordt nog dit jaar verwacht.

Twaalf punten voor Italië

Om af te sluiten nog een laatste voorbeeld (maar wel eentje dat zeer tot de verbeelding spreekt), uit Italië. Fumetti nei musei – letterlijk ‘strips in musea’ – is een project dat gefinancierd werd door twee Italiaanse ministeries: dat van Cultuur en dat van Buitenlandse Zaken. Dat Italië een echt stripland is kon je al lezen in Stripgids Magazine #6. Het feit dat deze twee ministeries de krachten bundelen maakt duidelijk dat het project onderdeel is van de Italiaanse culturele diplomatie. 

Met andere woorden: het doel is om Italië verder positioneren als een mekka voor de cultuurliefhebber en -producent, en dus ook voor stripliefhebbers en -auteurs. Het concept is even eenvoudig als krachtig: een stripmaker wordt uitgenodigd om zich te verdiepen in een museum van haar of zijn stad of regio. Verschillende elementen kunnen daarbij de vonk van het verhaal ontsteken: het gebouw of de locatie waar het museum gevestigd is, een bepaald voorwerp (zoals een schilderij, juweel of sculptuur), een personage uit de lokale geschiedenis, een legende, you name it. 

De collectie van Fumetti nei musei telt intussen 51 volumes op klein formaat en met een lengte van 24 pagina’s, en bestrijkt zowat heel Italië. Van topattracties als het Uffizi in Firenze, het Parco Archeologico in Pompeï, het Mausoleum van Theodorik in Ravenna en de Galleria Borghese in Rome, tot minder bekende parels als het Museo Archeologico Nazionale in Napels: de reeks biedt een indrukwekkende rondreis doorheen Italië en haar musea. En, opnieuw, een verrassende ingang tot de collecties en de geschiedenissen die erachter schuilgaan. En bovendien kun je met Fumetti nei musei je kennis van het Italiaans oppoetsen. Va bene così!

Om naar uit te kijken: in een volgende bijdrage van deze rubriek maken we een paar kritische kanttekeningen bij het fenomeen van de ‘museumstrip’. Want het is lang niet allemaal rozengeur en maneschijn in de museumwereld.