De IJslandse Rán Flygenring is iemand om in de gaten te houden. Met haar kinderstrip 'Tjörnin' ('De vijver') won ze in 2024 de IJslandse literatuurprijs in de categorie Children's & Young-adult books. Een kinderstrip die een literatuurprijs wint, jawel. Ook bij ons valt het boek op: 'De vijver' staat op de lijst van de Leesjury 2026–2027 voor kinderen van 6 tot 8 jaar.
Rán spreek je uit als 'brown', maar zonder b en met een rollende r. Ze is een manusje-van-alles en werkt als auteur, illustrator en kunstenaar vanuit Reykjavík. Daar maakt ze niet alleen boeken om met je kinderen te lezen. Ze schrijft en illustreert, maakt visuele verslagen en muurschilderingen, tekent tijdens conferenties, doet aan wat ze zelf 'artivism' noemt en geeft lezingen en workshops.
Lees meer onzin?
Flygenrings boek, steengoed vertaald door Laura Molenaar, verschijnt bij uitgeverij Blauw Gras in de reeks 'Lees meer onzin'. Die slogan kan de neerbuigende houding tegenover kinderboeken, prentenboeken en strips in de hand werken, maar de uitgever en initiatiefnemer is Edward van de Vendel. Als gelauwerd kinderboekenschrijver is hij onder meer bekend van zijn vertalingen van de reeks De waanzinnige boomhut (origineel de Treehouse serie van Griffiths en Denton). Dan weet je dat het geen 'onzin' is.
Eén tuin, vier seizoenen
De vijver is een prachtig hybride voorbeeld van een ontmoeting tussen prentenboek en strip. De mise-en-page is soms afgestemd op de dubbele pagina zoals in een prentenboek met weinig tekst, en soms opgedeeld in plaatjes zoals in een strip met tekstballonnen.
Het verhaal opent met een over-the-shoulder-shot van het hoofdpersonage: een meisje zonder naam (pas pagina's later lezen we dat ze Fífa heet) dat van binnenuit naar haar tuin kijkt. De volgende pagina's tonen telkens die tuin op een dubbele spread, met de andere bewoners van haar huis. Eerst bloeien de tulpenbollen en ligt iemand te zonnen op een bankje. (Rán lijkt niet helemaal te weten wanneer tulpen bloeien. Of is het een teken aan de wand van de klimaatopwarming?)
Op de volgende spread zijn de drie bomen aan de tuinmuur niet meer groen, maar eerder geel en oranje. Ze dragen rode besjes waar vogels van eten. Het meisje rent met haar beste vriend Spói rond in laarsjes en regenjassen. Daarna spelen de twee met iglokastelen en sneeuwballen en ligt het stenen beeld van zeemeerminnetje links onder de sneeuw. Er branden lichtjes in de kale bomen. Tegen dan weet de lezer al: dit is steeds dezelfde tuin, gezien vanuit hetzelfde standpunt. Zo nodigt het boek uit om niet op de traditionele manier van linksboven naar rechtsonder te kijken. Je mag ronddwalen zoals in een Wimmelbuch of zoekboek en de details bekijken, ook als kind dat nog niet kan lezen.
Een kuil vol vragen
Met de lente, de krokussen en de narcissen komt dan ineens een vraag die subtiel is opgebouwd: wat is die vreemde put in de tuin? Een aandachtige lezer had die al opgemerkt, rechts in het midden op alle dubbele pagina's. 'Wat is dit nou?' vraagt Fífa. Spói zegt: 'Die heb ik nog niet eerder gezien.' Met de kuil krijgt het verhaal een richting.
Op de volgende pagina schuift de camera op. De kuil staat plots links op de dubbele pagina, met Spói en Fífa eromheen. Ze buigen zich letterlijk over de vraag waarom die kuil daar is: 'Een oude slotgracht?', 'Een landingsplaats voor aliens?' Hun ideeën zijn op een 'kinderlijke' manier getekend, alsof we hun gedachten zien zoals zij ze zelf zouden tekenen. Bovendien zijn niet alleen menselijke gedachten leesbaar. Ook de vogel en de hond denken mee. De vogel bedenkt een fontein waar vogels omheen fladderen, de hond droomt van een reusachtig bot dat half uit de kuil steekt.
Dan verandert de lay-out abrupt. Links staat een lijstje voor het onderzoek naar de kuil: wie kan er iets over weten? Rechts staat een meer klassieke strippagina met negen plaatjes. Daarin worden al die mensen ondervraagd, maar niemand heeft een bevredigend antwoord. Alleen de vader van Fífa stelt voor om een schep te nemen en te kijken wat er te vinden is.
Graven met alle zintuigen
De volgende dubbele pagina is weer een grote ruimte, deze keer een kelder. De twee vrienden staan er tussen allerlei gereedschap dat ze misschien nodig hebben voor hun zoektocht. Het gereedschap ligt naast elkaar, met het woord erbij geschreven, zoals in een beeldwoordenboek. Kinderen zouden die woorden zo kunnen oefenen als ze dat willen.
Op de volgende pagina zijn we terug in de tuin. De kuil ligt links en er wordt gegraven. Ook nu worden de vondsten zowel getekend als benoemd, van 'knikstaartje' en 'grauwworm' tot 'fossiel' en 'plastic troepje'. De aarde die Fífa krachtig omhoog gooit, is getekend met vettig waskrijt. Dat roept een soort materiële, synesthetische ervaring op. Spói is hoopvol: 'Als we zo doorgaan vinden we vast een mammoetkerkhof! Of een moerasmummie.' Niet voor watjes, zo'n ontdekkingstocht.
Na het harde werk vinden de kinderen geen kerkhof en geen moeras, maar een betonnen gat. Een volwassene oppert: 'Mij lijkt het een betonnen vijverbodem.'
Van idylle tot vijverbaas
De volgende dubbele spread toont het droombeeld in de hoofden van de kinderen. 'Een vijverbodem?!' Dat doet dromen van kikkers die muggen opslokken, zeemeerminnen, waterlelies, libellen, schildpadden, vissen en ander waterachtig moois.
Op de pagina daarna voegen ze de daad bij het woord: met de kraan en de tuinslang toveren ze het betonnen gat om tot die oase. De stenen zeemeermin draait zich zelfs om naar het nieuwe wonder. 'Onze vijver, hij is geweldig.' Maar de buurt stroomt toe, het wordt al snel te druk en van de idylle blijft weinig over.
Fífa zet een bord met regels neer en gaat de orde handhaven. Uiteindelijk pest ze zelfs haar beste vriend weg, die ook graag eens op de toren boven de vijver zou zitten. Dan wordt het plots heel stil. Tot ze in al haar autoriteit in de vijver valt en een bijna-doodervaring heeft, en een bende vogels haar uit het water redt.
Fífa beseft dat ze geen vijverbaas meer wil zijn. Samen met Spói bouwt ze een vogelhuisje. Er kan weer van de tuin genoten worden en de vogels hebben plezier in het water. En Fífa ontdekt dat de stenen zeemeermin van haar sokkel verdwenen is. Dat is een knipoog naar wie goed heeft gekeken naar wat er tussen de dubbele pagina's verandert.
Dit verhaal kan veel plezier opleveren bij begeleid lezen, waarbij een volwassene voorleest en het kind volgt. Toch laat het ook genoeg ruimte aan kinderen om zelf door het boek te bladeren, ook zij die nog niet zo vlot lezen. Bovendien maakt het boek kinderen bewust van de natuur, van fauna en flora, zonder dwang of belerend vingertje. Het is al uitkijken naar meer werk van Rán Flygenring.
De vijver
Rán Flygenring
Uitgeverij Blauw gras, 64 blz.
★★★★☆